Toespraak

Uit Zaakwoordenboek der Lage Landen
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De toespraak van Marcus Antonius tijdens de begrafenis van Gaius Iulius Caesar, gemaakt door George Edward Robertson.
Zelfstandig naamwoord ♀
Naamval Enkelvoud Meervoud
Eerste de toespraak de toespraken
Tweede der toespraak der toespraken

Betekenis

  1. De daad van het toespreken (een toespraak houden).[1]

Evenwoord

  1. Redevoering.
  2. Oratie (Latijn).[2]

Vertaling

  1. Speech (Engels).[3]

Omschrijving

Een toespraak of redevoering is een geschikte, overwogen voordracht door een spreker of spreekster, en wil de toehoorders inlichten, beïnvloeden of vermaken. Een toespraak kent, als elke vorm van onderreding, vijf hoofdbestanddelen: wie zegt wat tegen wie, met gebruikmaking van welk middel, en met welke gevolgen? Een toespraak kan eenvoudige inlichtingsoverdracht behelzen, of het vertellen eens kortverhaals, maar kan ook worden gebruikt om de toehoorders tot daad aan te sporen. Begaafde sprekers en spreeksters laten het niet bij inlichtingsoverdracht, maar weten ook in te spelen op het gevoel der luisteraren.[4]

Geschiedenis

Hoewel er bewijzen zijn van africhting in het openbaar spreken in het oeroude Egypte, kwam het eerste bekende stuk over redekunst uit het oeroude Griekenland, meer dan 2000 jaar geleden geschreven. In dit werk werden beginselen uitgewerkt die ontleend waren aan de bedrijvingen en ervaringen van oeroude Griekse redenaren.

Aristotélēs (Ἀριστοτέλης) was degene die als eerste vastlegde dat de leraren in de redevoering uiterlinge regels en leesten moesten gebruiken. Een zijner belangrijkste inzichten was dat sprekers altijd, in verschillende mate, drie dingen samenvoegde: redenering, geloofwaardigheid, en gemoedsbeweging, die hij lógos (λόγος), êthos (ἦθος) en páthos (πάθος) noemde. Het werk van Aristotélēs werd een onontbeerlijk onderdeel ener vrijzinnige kunstopleiding tijdens de middeleeuwen en de wedergeboorte. De werken uit de oudheid, geschreven door de oeroude Grieken, geven een beeld der wijze waarop zij duizenden jaren geleden de kunst van het spreken in het openbaar onderwezen en ontwikkelden.

In het oudse Griekenland en Rome was redekunst het belangrijkste onderdeel van samenstelling en het houden van toespraken, die beide onontbeerlijke vaardigheden waren voor burgers om te gebruiken in het openbare en niet openbare leven. In het oeroude Griekenland spraken burgers uit eigen naam in plaats van dat vakkundigen, zoals hedendaagse raadslieden, voor hen spraken. Elke burger die welslagend wilde zijn in de rechtbank, in de bewindschap of in het maatschappelijke leven, moest vaardigheden leren om in het openbaar te spreken. Redekunstige hulpmiddelen werden voor het eerst onderwezen door een groep welsprekende leraren, de sofisten, die bekend stonden om het feit dat zij betalende hoogleerlingen leerden hoe zij doeltreffend konden spreken met behulp der handelswijzen die zij hadden ontwikkeld.

Los van de sofisten ontwikkelden Sōkrátēs (Σωκρᾰ́της), Plátōn (Πλάτων) en Aristotélēs hun eigen leren over spreken in het openbaar en onderwezen zij deze beginselen aan hoogleerlingen die vaardigheden in de redekunst wilden aanleren. Plátōn en Aristotélēs onderwezen deze beginselen in leerhuizen die zij stichtten, onderscheidenlijk de Akadēmíā (Ἀκαδημία) en het Lúkeion (Λύκειον, 'Lyceum'). Hoewel Griekenland uiteindelijk de bewindschappelijke heerschappij verloor, werd de Griekse beschaving van het africhten in spreken in het openbaar vrijwel eensluidend overgenomen door de Romeinen.[5]

Zie ook

Bron