Aannemen

Uit Zaakwoordenboek der Lage Landen
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Scheidbaar Werkwoord
Onbepaalde wijs
aannemen
Tegenwoordige tijd Tegenwoordige tijd bijzinvolgorde Verleden tijd Verleden tijd bijzinvolgorde
ik neem aan dat ik aanneem ik nam aan dat ik aannam
jij neemt aan dat jij aanneemt jij nam aan dat jij aannam
neem jij aan? - - - - - -
u neemt aan dat u aanneemt u nam aan dat u aannam
hij/zij/het neemt aan dat hij/zij/het aanneemt hij/zij/het nam aan dat hij/zij/het aannam
wij nemen aan dat wij aannemen wij namen aan dat wij aannamen
jullie nemen aan dat jullie aannemen jullie namen aan dat jullie/u aannamen
zij nemen aan dat zij aannemen zij namen aan dat zij aannamen
Voltooid deelwoord Tegenwoordig deelwoord
aangenomen aannemend

Betekenis

  1. Iets overnemen van iets of iemand.[1]
  2. Goedkeuren en voor zich als waar erkennen van beweringen, meningen, stellingen, enzovoorts enzovoorts.[1]
  3. Iemand op wettige wijze tot zoon of dochter kiezen en hem of haar de burgerlijke rechten eens eigenen kinds geven.[1]
  4. Een opdracht op de gestelde voorwaarden op zich nemen.[2]
  5. Het opnemen van iemand in een vereniging.[2]
  6. Het in dienst nemen van iemand.[2]

Evenwoord

  1. Aanvaarden
  2. Accepteren (Frans)[3]
  3. Adopteren (Frans)[4]

Bron