Aanhouden

Uit Zaakwoordenboek der Lage Landen
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Scheidbaar Werkwoord
Onbepaalde wijs
Aanhouden
Tegenwoordige tijd Tegenwoordige tijd bijzinvolgorde Verleden tijd Verleden tijd bijzinvolgorde
ik houd aan dat ik aanhoud ik hield aan dat ik aanhield
jij houdt aan dat jij aanhoudt jij hield aan dat jij aanhield
houd jij aan? - - - - - -
u houdt aan dat u aanhoudt u hield aan dat u aanhield
hij/zij/het houdt aan dat hij/zij/het aanhoudt hij/zij/het hield aan dat hij/zij/het aanhield
wij houden aan dat wij aanhouden wij hielden aan dat wij aanhielden
jullie houden aan dat jullie aanhouden jullie hielden aan dat jullie/u aanhielden
zij houden aan dat zij aanhouden zij hielden aan dat zij aanhielden
Voltooid deelwoord Tegenwoordig deelwoord
aangehouden aanhoudend

Betekenis

  1. In hechtenis nemen of staande houden.[1][2]
  2. Volhouden.[2]
  3. Voortduren.[2]
  4. Niet toewijzen, niet behandelen, uitstellen.[2]

Evenwoord

  1. Arresteren (Frans)[1]

Bron