Aanhalen

Uit Zaakwoordenboek der Lage Landen
Scheidbaar Werkwoord
Onbepaalde wijs Gebiedende wijs Aanvoegende wijs
aanhalen haal aan hale aan aanhale (bijzin)
Tegenwoordige tijd Tegenwoordige tijd bijzinvolgorde Verleden tijd Verleden tijd bijzinvolgorde
ik haal aan dat ik aanhaal ik haalde aan dat ik aanhaalde
jij haalt aan
haal jij aan?
dat jij aanhaalt jij haalde aan dat jij aanhaalde
u haalt aan
haalt u aan?
dat u aanhaalt u haalde aan dat u aanhaalde
hij/zij/het haalt aan dat hij/zij/het aanhaalt hij/zij/het haalde aan dat hij/zij/het aanhaalde
wij halen aan dat wij aanhalen wij haalden aan dat wij aanhaalden
jullie halen aan dat jullie aanhalen jullie haalden aan dat jullie/u aanhaalden
zij halen aan dat zij aanhalen zij haalden aan dat zij aanhaalden
Voltooid deelwoord Tegenwoordig deelwoord
aangehaald aanhalend

Betekenis

  1. Middels vleierij of vriendelijkheid nader tot zich doen komen.[1]
  2. Strakker maken.[1]
  3. Eigen of andermans woorden aanhalen.[1]

Leenspreukig:

  1. Hechter maken.[1]

Evenwoord

  1. Citeren (Frans)[2]